Alfred Birney’s Yournael van Cyberney: een virtueel Indisch eigencultuurhuis


Door: Edy Seriese

Om maar met de deur in huis te vallen: Alfred Birney’s nieuwste boek Yournael van Cyberney is fantastisch. Het leest als een trein, het is uitstekend geschreven, het gaat ergens over. Je lach-je bij wijle rot en nog vaker kripoet. Kortom, het is een dijk van een boek. “Maar waarom?” vroeg mijn achttienjarige, die mij hoorde roemen, en van haar leraar Nederlands geen Birney op de boekenlijst voor haar eindexamen mocht zetten. “Nou”, begon ik, “omdat… eh” en toen stokte ik. Waar moest ik beginnen? Hoe maak je een niet-ingewijde in de letteren, in de Indische letteren nog wel, duidelijk hoe leuk, en ook hoe belangrijk dit boek is? Voor Indische en niet Indische schrijvers.

Ik zou keurig kunnen beginnen met de titel. Yournael van Cyberney. Het woord ‘Yournael’, doceer ik u dan, verwijst naar titels als het Yournael van Bontekoe. Naar reisverhalen dus, de eerste Nederlandse letteren die later door Rob Nieuwenhuys tot de Indische gerekend zouden worden. Naar al die “waerachtige beschrijvingen” van het grootste avontuur dat Holland ooit zou beleven: de kolonisatie van ‘de Oost’, die volgens onze nestor op literaire waarde herontdekt moesten worden. Het woord impliceert dus een plaatsbepaling. De schrijver zet zichzelf, al dan niet met een knipoog dat blijkt pas later, in de lange rij van literaire Indische genoemde voorvaderen. Het woord Cyberney in de titel is een dubbele verwijzing. Ten eerste naar des schrijvers twee familienamen: Sie van de Chinese kant en Birnie van de Hollandse kant. Birney heeft een Brabantse moeder. Dit pseudoniem is dus ook plaatsbepaling, en wel in de lange rij van zijn Aziatische voorvaderen. Maar de tweede verwijzing van dit pseudoniem gaat richting het allermodernste communicatiemiddel van vandaag: naar Cyberspace, het Internet, de virtuele plaats waar iedereen die praten kan ook kan schrijven. Daar zou een heuse schrijver van het kaliber van Birney zich dus eigenlijk NIET moeten ophouden, denk ik dan. Internetinkt van Alfred Birney luidt de ondertitel. Een overbodige toevoeging. Lijkt het. Maar bij Birney is niets overbodig. Internet OK, betekent het, maar hij blijft schrijver, hij hanteert inkt. En dus een pen. In gal gedoopt denk je er dan automatisch erachteraan. Maar dat is pas een overbodige toevoeging, voor wie Birney kent.

Beter is dus misschien te beginnen bij het feit dat dit boek op Internet begonnen is. Als een e-mail in afleveringen. Een soort feuilleton, heel Indisch dus. De tekst is wat je noemt polemisch van aard. Maar de term fulmineren is adequater. Birney fulmineert in deze bundel. Tegen de keus voor Rushdie als boekenweekgeschenkschrijver, tegen de CPNB die Rushdie koos onder verwaarlozing van auteurs van eigen taal, tegen de boekhouders van het tijdschrift Indische Letteren die zich daaraan niets gelegen laten liggen, opgeslokt als ze zijn door hun geneuzel over de grenzen van het corpus Indische letteren. Tegen de mentaliteit van instanties die verantwoordelijk zijn voor keuze, productie, verspreiding, bespreking en canonisering van het Nederlandse boek, uitgeverijen, literatuurkritiek, georganiseerde literatuurwetenschappers. Hij fulmineert zelfs tegen Albert Heyn zelfs, ‘alleen maar’ omdat deze de koffie die van de vroegere Birnie-plantage uit Midden-Java komt (de Perlakoffie Gunung Java) verkeerd beschrijft: rond in plaats van vierkant. ‘Alleen maar? Nee, want eigenlijk fulmineert tegen alles in Nederland dat de pretentie heeft multicultureel te zijn.

Geen van al die typisch Nederlandse instellingen, is zijn kritiek, zien immers de Nederlandse auteur met een dubbele culturele achtergrond staan, behalve als er geld of status mee te verdienen valt. Om het fulmineren alleen al is dit Yournael een prachtig boek. Maar de docent Nederlands van mijn kind zou alleen maar bevestigd worden in diens vooroordeel dat Indische letteren vooral geschriften zou bevatten die “niet-literair van aard” zijn. En daarmee een reden denken te hebben om Birneys boek van de leeslijst verwijderd te houden.

Op zich hoeven we ons van dat overigens niet zoveel van aan te trekken. De gemiddelde leraar-Nederlands, en ook de gemiddelde literatuurwetenschapper in Nederland zoals Birney aantoont, houdt zich bezig met Nederlandse letteren, logisch, dat is hun stiel. En Birney schrijft Indische letterkunde, dus wat kan het je schelen? Nou dit, zegt Birney: bij anders-culturele letteren, zoals de Indische, doen ze ook alsof het om Nederlandse letteren gaat. Afgeleid door de taligheid (Nederlands) of door de vorm (journaal) leggen ze de meetlat van hun Nederlandse, beter gezegd westerse cultuur langs het werk dat vervolgens bijna altijd bodemloos door de mand valt. “Geen kwaliteit”, luidt het oordeel dan. Soms laten ze zich afleiden door de achterflap met foto van de schrijver: hé, bruin, hé allochtoon, ha problematiek. Want dat allochtonenliteratuur problemen herbergt, is net zo’n westerse standaardnorm als bijvoorbeeld de gedachte dat de ideale literatuur zich uitdrukt in de vorm van een roman. Bij echte allochtonen wil men overigens nog wel coulant zijn. Schrijf maar hoor, kom maar bij ons publiceren, hoor. Nee, hoef niet echt literair, oorlogsvaders, hoofddoekjes, sensuele vrouwen is goed. Als maar verkoopt, ja. We moeten ons er wel iets van aan trekken, is Birneys boodschap, want zij hebben het voor het zeggen in Nederland. En als schrijver uit een andere cultuur kom je niet aan de bak, zolang zij je verkeerd beschrijven en verkeerd beoordelen. Geen van die literatuurcritici, -uitgevers, -wetenschappers realiseert zich dat ze met bijvoorbeeld een boek van Birney een product uit een andere cultuur onder ogen hebben. Schrijvers als Birney, Indische schrijvers, schrijven immers Indische letterkunde, waar ze het ook over hebben. Ze produceren met andere woorden Indische cultuur via hun geschrijf, wat ze ook schrijven. Literatuur dus die gerelateerd is aan hun Indische achtergrond, aan Indische tradities van literaire én niet-literaire aard. Ook gedeeltelijk Nederlands, vaak Nederlands-koloniaal, dat schept verwarring, dat begrijpt Birney wel. Maar dat impliceert niet dat de Indische en de Nederlandse normen voor literatuur precies gelijk vallen. Die normen zijn afhankelijk van de stand van zaken in de Indische cultuur en literatuur. En die is anders. Anders dan de Nederlandse. En ook anders dan bijvoorbeeld de literatuur van de eerste generatie (Indische) schrijvers. Tegen die impliciete gelijkstelling van Nederlands met Indisch, daartegen fulmineert Birney. Hij doet dat in een boek. Lang en indringend. Dat is er-rug leuk, maar is het ook literair? Nou, als je W.F. Hermans heet en je schrijft over het incrowdwereldje van Hollandse professoren, wel. Zelfs als je Bas Veth heet en je schrijft over het incrowdwereldje van Hollandse Indiëgangers in de 19e eeuw, dan ook. Maar Birney? Mijn kind met dat argument naar haar leraar Nederlands sturen, dat werkte in elk geval niet.

Tussen ons gezegd en gezwegen: Birneys geketter tegen literair Nederland, hoe amusant ook en hoe goed ook geschreven, en prachtig gecomponeerd in de bundel waar het op Internet alleen maar een bij elkaar geschreven zootje teksten was, die kant van Birney vind ík niet de interessantste zijde van zijn schrijverschap. Ik bewonder hem meer als de romanschrijver die hij is. Als ik zou moeten uitleggen aan een insider, een liefhebber bedoel ik, van literatuur en van het Indische, dan zou ik op heel andere dingen wijzen. Dan zou ik wijzen op tekstuele elementen in het werk van Birney, als constante of als nieuwe elementen in een ontwikkeling, die te verbinden zijn met elementen uit de cultuur van de auteur. Want ik ben literatuurwetenschapper en dat is mijn taak. En ik ben Indisch, dus ik zou dat niet duf-analyserend doen, maar vertellend. Dan zou ik hier vanmiddag bijvoorbeeld beginnen met een stukje voor te lezen uit Birney’s boek. Een stukje waarin het fulminerende element –nu eenmaal niet weg te denken uit het werk en de persoon van Birney- het aflegt tegen de liefdevolle beschrijving. En ik zou er opwijzen dat fulmineren erg Hollands is, maar het leveren van vlijmscherpe kritiek op basis van liefdevolle aandacht een heel typisch kenmerk is van de Indische cultuur. Dat ga ik dus doen. Het stuk heet ‘De Indische connectie’. En het gaat over ons, over het IWI.

Waarom begin ik hier? Is de toon die mij hierin treft en waardoor ik me laat leiden niet veel minder typerend voor Birney dan zijn gefulmineer? Juist in dit boek dat als ‘een bundel polemieken’ aan de pers is voorgesteld? De vraag stellen is hem beantwoorden: nee. Het is juist die liefdevolle ondertoon die je als lezer op een heel bijzonder leesspoor zet. Een spoor dat Birney als schrijver én als Indische jongen in al zijn werk kenmerkt en in dit boek tot een bijzondere apotheose leidt. Ik wil u vanmiddag langs dat spoor leiden. Niet uitputtend, dat moet u thuis maar zelf doen (en ik verzeker u: dat wordt genieten), maar met een paar tips die u straks bij het lezen thuis als een waarschuwingsbelletje in de oren moeten klinken. Het spoor zal leiden door alle compartimenten waarin het boek ingedeeld is, 4 of 5 of 6, hoe je maar telt. Want dat elke indeling arbitrair is, daarover gáát niet alleen dit boek, daarvan is het een interactief gehouden illustratie.

Ik nodig u dus uit met mij mee te skippen en door Birney boek te browsen, zoals dat tegenwoordig in Internettaal heet, geleid door de liefdevolle ondertoon waarin Birney met regelmaat zijn pen doopt. Het stuk over het IWI dat ik net voorlas is mijn eerste tip. Het staat voorin in de bundel, vlak na een serie scheldkanonnades tegen de CPNB. Het is door de plaatsing daar dwingend opvallend van toon en inhoud, het werkt als een soort tegenstelling. Het wordt gevolgd door een nog mooier stuk, mijn tweede tip. Daarin is geen sprake meer van fulmineren in liefde, maar ronduit van liefde. Liefde voor de auteur Frits van den Bosch, Een jongen uit Utrecht, geboren uit Hollandse immigranten, opgegroeid in Indië, maar, volgens Birney “met een hoog krontjonggehalte” in zijn werk (p.39) en in zijn wijze van praten (p.28).

Om zijn bewering te illustreren zet Birney een fragment proza van Frits van den Bosch om in een pantoen. Het pantoen, dat weet u als geen ander, is het verbale equivalent van de krontjongmuziek. Ik verraad het niet wat Birney doet: lees en huiver (pag. 39). Vervolgens neemt Birney van deze auteur het woord kesasar mee de rest van zijn bundel in. Het woord kesasar wordt door Frits van den Bosch gebruikt voor mensen als hijzelf. Voor iemand die “niet meer in zijn oorspronkelijke milieu verkeert”. Of, zoals hij uitlegt: “kesasar [… ] wortel: sar, gereduceerd: sasar, plus suffix ke- wat inhoudt dat je er de dupe van bent, dat het je overkomen is, dus kesasar = op een zijspoor geraakt” (p.46). Kesasar is een gevoel. Gelijkgestemden daarin, schrijft Van den Bosch aan zijn soulmate Birney, zijn altijd Indischen. En dan, bekent hij, “Dan pakt een gevoel van vertrouwdheid wel eens gek uit”. Nee, ik geef alweer geen voorbeeld. Lees zelf maar, en voel je eigen vertrouwdheid met de Indo kesasar Van de Bosch en met Birney.

Behalve schrijver is Birney ook bloemlezer. Wie kent niet zijn Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren? In zijn nieuwe bundel wijdt hij een bespreking aan de reacties die hij daarop ontvangen heeft. Let op de titel waaronder hij dat doet: er komt het woord familie in voor. Op deze zogenaamd zakelijke bespreking volgt een heel intiem kort verhaaltje over wakker worden in een vreemde wereld, met als ankerplaats zijn zoontje. Dat is mijn derde tip, ditmaal vergezeld van een aanwijzing. Lees beide stukken, hoewel totaal verschillend van karakter, als een bepaling van de ik-persoon, als schrijver en als vader. En lees vervolgens hoe hij zich vandaaruit positioneert: te opzichte van Adriaan van Dis, nee, tegenover zijn heden als Indische schrijver. Ten opzichte van zijn voorouders, nee tegenover zijn Indisch verleden. Ten opzichte van de Indische schrijver Couperus, nee, tegenover zijn eigen schrijverschap. Schrijverschap is immers niet Indisch, Nederlands, of wat dan ook. Schrijverschap is schrijverschap, betoogt Birney overal in zijn werk. ”Tuurlijk”, zeg ik dan, tuurlijk, Birn. Maar waarom kies je dan een typisch Indisch trekje van Couperus om diens grootheid in schrijverschap mee te bewijzen? Couperus, betoogt Birney, is een groot schrijver omdat hij de mens niet zomaar in zijn omgeving plaats. Hij verbindt mens en omgeving onlosmakelijk met elkaar (p.77). Want noodlot, leert Birney van zijn literaire voorvader, zit niet in de mens alleen, maar in alle dingen”. Hormat aan Couperus is bij Birney een positionering als Indisch schrijver. Hij verwijst naar gedachtegoed dat je tot in de 10.000 kleinste dingen ook terugvindt bij – ik noem maar een ander grote – Maria Dermoût, zoals Kester Freriks niet heeft aangetoond. Maar zijn hormat is ook een verwijzing naar het feit dat Indische schrijvers, ook die van de tweede generatie waartoe Birney behoort, nu juist geen eigen omgeving hebben waaraan zij verbonden zijn. Omdat ze kesasar zijn. Als Nederlander, want bruin op de achterflap. En als schrijver, want niet gezien vanuit hun eigen cultuur. Waaraan moeten zij dan door grote schrijvers gebonden worden? Daarop geeft Birney ogenschijnlijk geen antwoord.

Het tweede compartiment in de bundel, over de boekhouders van de Indische letteren, ook polemisch van opzet, slaan we even over. Niet omdat het daarin ontbreekt aan liefdevolle beschrijvingen, maar vanwege tijdgebrek en overbodigheid. Want de toon van die beschrijvingen, voorspel ik u, zal ook u eenvoudigweg treffen bij het lezen, het gehele boek door, daar hebt u geen gids voor nodig. Het is meer dat ik u nog enkele andere passages wil laten proeven. Passages waarin een antwoord samengesteld wordt op bovengestelde vraag. Het compartiment ‘Yournael Iowa’ kan ik niet helemaal overslaan. Er is één passage die ik u niet wil onthouden. De ik-figuur in het boek reist samen met Marion Bloem, zij de hele tijd, ook tijdens het wachten op Schiphol.

“Ik ben Bloem kwijt geraakt, ik weet niet waar ze uithangt. Tegen de tijd dat we aan de beurt zijn, voegt ze zich bij me. Zodra ze hoort dat we niet met toestel mee kunnen, begint ze stampei te maken, roepende dat hier twee schrijvers staan die moeten gaan voorlezen in Iowa, hier staan twee belangrijke schrijvers, de Boenga en Boeaja van de Indische letteren, hoort u? wij lezen toevallig lekker Van Dis, zie ik de dames achter de balie denken: die heeft tenminste manieren.
Boenga wendt zich woedend af, ik sjouw achter haar aan en kom ergens in het labyrint van Schiphol oog in oog te staan met een kostschooldirectrice achter een KLM-balie. Ha! Een kostschooldirectrice, een kreng van een wijf, daar ben ik dol op!
Boenga niet. Die vergeet wat ze mij eerder adviseerde toen ik wilde gaan schelden omdat mijn ticket er niet lag. Nu begint zijzelf te schelden. De directrice verstrakt, er-rug mooi dat. Boenga verstrakt ook, ook er-rug mooi. Tijd dus voor mij om haar een zitplaats te wijzen.” (p 138/9)

“Dat is genieten”, schrijft hij verderop. “Die Boenga gedraagt zich als een echte ster. En ze onderschrijft intussen ook nog en passsant het cliché van het Indische meisje met de grote smoel. En ik dat van de Indische jongen met zijn: soedah al”. (p.144)

Met die laatste opmerkingen verzamelt Birney niet alleen zulke uiteenlopende types als Liane van der Linden en Marion Bloem onder één noemer, wat op zich al een niet geringe verdienste is waar ik met trouwens kripoet om grinnik. Hij vermorzelt intussen en passant ook nog dé mythe in Hollandse hoofden over sensuele passieve Indische meisjes en daadkrachtige macho Indische jongens, waarop Bloem een heel oeuvre bij elkaar geschreven heeft. Een verdienste waar ik me rot om lah.

Als literatuurwetenschapper moet ik echter serieuzer zijn dan dat. In die hoedanigheid moet ik u erop wijzen hoe schrijver dezes zijn literaire vaardigheden gebruikt. Hier fulmineert hij niet, dat doet hij tegen Hollanders die de literaire vorm polemiek in hun culturele bagage hebben. Bij Indo’s gebruikt hij een andere literaire vorm. Die van de liefdevolle beschrijving van een vlijmscherpe observatie. Met dat literaire middel typeert hij mensen die hij tegenkomt in de jungle van het leven, mensen die daardoor onvergetelijk worden, zoals bij Couperus, de meester. Birney evenaart de meester. Hij verbindt op literaire wijze mensen en hun omgeving onlosmakelijk met elkaar. Maar Birney doet meer. Hij verbindt de personages niet met individuele eigenaardigheden, een karaktertrekje, een gewoontegebaar, of attribuut, zoals Couperus. Maar met wat hen het meest eigen is, hun cultuur, de Indische cultuur. Daarmee overtroeft Birney mijns inziens de meester. Hij geeft zijn personages een huis, nee, een uitvalsbasis voor het leven, een plaats waar ze, kesasar en al, zich thuis kunnen voelen, omdat ze er vandaan komen. In het laatste compartiment van zijn boek, het Yournael Jacatra, dat in Indonesië speelt, alweer tijdens een literair congres, zie je de ik-persoon –volop Birney- zelf thuis zijn. Nee, niet in het land van herkomst. Maar in de mensen en in zijn eigen cultuur.

“We lunchen met bord op schoot. Ik kijk naar de handen van de studenten om me heen, naar hoe ze hun lepel beroeren bij het eten van de rijst, de tahoe en de kip. Ze hebben die Indische manier van eetbestek hanteren: de lepel is zowel een stuk eetgerei, waarmee ze lijken te spelen, als een verlengstuk van hun fraaie tanige vingers” (p.222). […]

Die studenten, constateert hij, “hebben een adat, een manier van doen die je niet in Holland aantreft. Je ziet het wel deels bij Indo’s doorschemeren, maar die zie je zelden in een groep om je heen, ze gaan op in de massa, maken zich cultureel onzichtbaar, zoals ik dat deed in mijn vroegste werk” (p.226)

Alfred Birney maakt zich niet meer onzichtbaar. Zijn bloemlezing beschreef de ruimte van de Indo binnen de Nederlandse literatuur, die hij inneemt ondanks iedere generatie weer die koloniale visie die hem eruit probeert te houden. Met het Yournael van Cyberney creëert Alfred Birney een ruimte waar de Indo, kesasar of niet, kan verblijven: in zijn eigen cultuur. Daar heeft hij niemands toestemming voor nodig, want die ruimte is virtueel. Cyberspace, het Internet is daarvoor de metafoor. De plaats waar iedereen die praten kan, ook kan schrijven. Maar Birney is een schrijver, of hij nu door literair Nederland als zodanig erkend wordt of niet. Hij schreef een boek. Geen internetwerkje maar een boek. Ogenschijnlijk een ratjetoe van getypte teksten, ongelijksoortig van lengte, inhoud, toon en vorm, een pak van Sjaalman, zoals we dat kennen uit de Max Havelaar en van Rudy Kousbroek.

Maar Birney schreef een literair werk, een roman. Een typisch product van de Indische cultuur van de tweede generatie schrijvers in Nederland. Een meesterproef, wat mij betreft, die hij op Indische wijze verrichtte, dat wil zeggen: in vermomming. Vermomd als journaalschrijver, polemist, bloemlezer, debater, congresganger, essayist, vermomd als Hollander dus, schiep hij zijn eigen vorm voor wat hij te vertellen heeft over het kesasargehalte van zijn Indische cultuur. Een vorm gebaseerd op die van zijn literaire voorvaderen, vermeend of geaccepteerd, van Bontekoe tot Kousbroek. Maar ook een vorm die nieuw is, omdat hij ‘het pak van Sjaalman’ tot literair genre maakt. Tot roman, een typisch Indische roman van tweede generatie schrijvers in Nederland. Hij deed dat met literaire middelen: door zijn personages onvergetelijk te maken, door ze onverbrekelijk te verbinden met hun eigen achtergrond hun eigen cultuur. Hij deed dat met een literair middel dat typerend is voor de roman: door een ik-personage in te vlechten die een ontwikkeling doormaakt. De ontwikkeling van afhankelijke allochtoon, fulminerend, in de verdediging, alleen getjapt door wat anderen van hem vinden, tot Indo thuis in zijn eigen cultuur. Die cultuur is niet locatiegebonden, die is virtueel en overal, in alle dingen, zoals zijn voorouderen hem leerden. In Indonesië in de lange vingers die de rijstlepel hanteren. Op het vliegveld of in een 8-personenbusje waar Indische bitches haar rechten opeisen. In Frits van den Bosch die kesasar is, in ieders hoofd van wie oude waarden afweegt om ze te confronteren met nieuwe. Skip langs het spoor van liefdevolle beschrijvingen van vlijmscherpe observaties en je weet dat Birney thuis is. Dat lijkt gewoon, voor een Indo is dat een novum. Daarom is Birneys boek meer dan leuk ook belangrijk, een mijlpaal, een voorstel, een optie. Voor iedere Indo, voor alle tweede generatie-schrijvers in een nieuw land, voor iedere kesasar, Indisch of niet-Indisch. Ja, maak dat een doorsnee Hollandse leraar Nederlands maar es duidelijk.

Waarheen? Heet het laatste hoofdstuk. Ach, Birn, wie weet waarheen? “Het maakt weinig uit waar je zit als je een rusteloze Indo bent”, zeg je zelf, als laatste zin. Waarvandaan, was tot nu toe jouw vraag. Nu je weet waarvandaan, maakt het niet meer uit waarheen. Dan vindt de vorm zich vanzelf, toch? Is dat niet je nieuwe boek?

© 2001 Edy Seriese
* Bron: Indisch Wetenschappelijk Instituut, 20 mei 2001

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Reageren is niet mogelijk.