Tamara’s lunapark

alfred birney tamara's lunapark Alfred Birney
Tamara’s lunapark

roman
Uitgeverij In de Knipscheer
Haarlem 1987
Paperback 176 blz. 13 x 20 cm
omslagontwerp Henrik Barends
omslagillustratie Rob Scholte
ISBN 90 6265 245 X NUGI 300
Uitverkocht.

Roman als een zwart-wit-film, met reminiscenties aan de cineast Orson Welles, spelend in een oneindig trappenlabyrint, met onvergetelijke beelden.

Debuutroman over een 30-jarige tekenaar, die zich opsluit in zijn flat en op de muren zijn leven in kaart brengt. Met een zaklamp in het donker volgt hij het spoor terug langs een oneindig trappenlabyrint. Hij belandt in een chique bordeel, op zoek naar zijn tegenspeler, de architect Victor A., en raakt dan verzeild op een geheimzinnig bal-masqué, waar hij de projectontwikkelaar ontmoet die woonhuizen als schuilkelders ondergronds wil laten bouwen. Er is een intermezzo rond een eenzaam hotel op een subtropisch eiland, waar hij en zijn vrouw een ingewikkelde vierhoeksverhouding met hun vrienden aangaan. Een ontmoeting in de ruïne van zijn vroegere tehuis brengt hem terug naar zijn jeugd: een nachtelijk uitstapje met zijn maatjes naar de meisjesvleugel, een dwaaltocht op de kermis. In kreeftgang raakt hij aldoor dichter bij de bron van zijn fundamentele twijfel aan de zin van zijn bestaan.

Het beginpunt van een oeuvre dat kwalitatief en kwantitatief heel groot kan worden. – De Tijd

Hij dwingt moeiteloos af dat je voortdurend nieuwsgierig blijft. Ik denk dat Alfred Birney iemand is van wie we nog veel kunnen verwachten. – Arnhemse Courant

Alfred Birney probeert in zijn eerste roman een uitzichtloos levensgevoel vorm te geven. En slaagt daarin voortreffelijk. – Haagsche Courant

* * *

Debuutroman van Alfred Birney
Een oneindige speurtocht in het verleden

(Uit: De Tijd, 29 mei 1987)
Koos Hageraats over Tamara’s lunapark

Ook de kleinste details in het debuut van Alfred Birney, Tamara’s lunapark, blijken een extra betekenis te hebben. Een roman die gedegen in elkaar zit. De barrière is genomen; de weg is vrij voor een oeuvre. Althans: zo is het Harry Mulisch ook vergaan.

Wat jammer dat de kaarten voor de AKO-prijs definitief zijn geschud, want nu is het niet meer mogelijk de debuutroman van Alfred Birney, Tamara’s lunapark, te laten meedingen naar de eer. Die kans zou hem gegeven moeten zijn – niet omdat hij die prijs zou moeten krijgen, maar wel omdat hij een roman heeft geschreven die net zoveel aandacht verdient als de genomineerden de afgelopen tijd ten deel is gevallen. Als mijn vermoeden juist is, is deze roman het beginpunt van een oeuvre dat kwalitatief en kwantitatief heel groot kan worden; zelfs durf ik een vergelijking te maken met Mulisch’ debuutroman Archibald Strohalm. Hoe dat zo zal ik proberen duidelijk te maken.

Tamara’s lunapark opent met een kort hoofdstuk over de dertigjarige tekenaar Leo Sanders (Wie wil kan de initialen van de naam beschouwen als een groet aan de lezer) die zich heeft opgesloten in zijn flat, terwijl zijn van hem weggelopen vrouw Lora bij vrienden ligt te bevallen. Leo Sanders heeft op de muren van een zijkamertje een tekening gemaakt van een ‘trappenlabyrint dat zijn tentakels over alle muren uitsloeg. Je kon je afvragen of het labyrint zich in de kamer bevond of andersom. Het complexe lijnenspel werd hier en daar onderbroken door diverse opgeplakte foto’s, groepsgewijs gerangschikt en voorzien van een kader met een vetgeschreven datum’. Op een zaklantaarn heeft hij een zwartwitfoto van zichzelf geplakt. In de volledig verduisterde kamer schijnt hij met het licht van zijn lantaarn over het labyrint, zodat de schaduw van de foto langs de labyrintisch trappen glijdt, op zoek naar de perfecte schuilkelder.

Dit beginbeeld vormt de aanzet voor een dwaaltocht in zijn herinnering. Hoofdstuk na hoofdstuk daalt Leo Sanders steeds verder af in zijn verleden, totdat hij uiteindelijk terechtkomt bij een beginpunt dat naadloos blijkt aan te sluiten bij dat openingsbeeld. Stapje voor stapje wordt op die manier het verleden verduidelijkt door het heden, maar wordt tegelijkertijd het in eerste instantie raadselachtige heden opgehelderd door dat verleden.

Leo Sanders verlaat zijn flat – in zijn verbeelding? In werkelijkheid? – nadat hij een telegram heeft ontvangen waarin staat dat hij snel naar het adres moet gaan waar zijn vrouw ligt te bevallen. Maar eenmaal buiten staat hij voor een dilemma: gaat hij naar Lora of gaat hij naar Tamara, een meisje dat hij een keer vluchtig heeft gezien maar dat een onuitwisbare indruk op hem heeft gemaakt? ‘Hij moest een keuze maken, al drong de tijd niet, beide adressen lagen immers een eindweegs in dezelfde richting.’ Met andere woorden: waar hij ook heengaat, de tijd beweegt zich toch tegelijkertijd in twee richtingen: naar de toekomst, gesymboliseerd door de zwangere Lora, en naar het verleden, gesymboliseerd door het droommeisje Tamara.

De keuze valt op het verleden. Leo Sanders komt terecht in een surrealistisch gebouw vol trappen, gangen, nissen, onderaardse verbindingen en onverwachte doorgangen. Het nachtclubgebouw – dat een perfecte schuilkelder moet verbeelden – is de creatie van Sanders’ vriend Victor, maar het idee is afkomstig van Leo. Hier, in dit gebouw, gaat hij op zoek naar Tamara, die er werkt als danseres, annex prostituee. Ze is geheimzinnig maar lief en puur natuur; hij komt wel met haar in contact maar ze blijft het droommeisje dat ze voor hem is: onbereikbaar. Ze stuurt hem verder het verleden in.

En steeds verder daalt ook de lezer af in het verleden van Leo Sanders. Langzaamaan wordt duidelijk dat hij een traumatisch tehuisverleden heeft waardoor hij ieder vertrouwen in de toekomst heeft verloren. Leo zou dan ook veel liever zien dat Lora het kind níet ter wereld bracht. Hij is te veel met zijn verleden bezig om belangstelling te kunnen tonen voor de toekomst, zijn speurtocht naar dat verleden is niets anders dan een speurtocht naar geborgenheid. Het kind zal straks zijn ‘oerschuilkelder ‘moeten verlaten om terecht te komen in een wereld die het ongetwijfeld als één groot tehuis zal ervaren, een labyrintisch gebouw dat door nucleaire wapens tot de bodem dreigt te worden afgebroken.

Elfje

Met diezelfde afbraak wordt Leo Sanders geconfronteerd wanneer hij het tehuis bezoekt waar hij tot zijn vijftiende heeft gewoond. Samen met een meisje dat ook in het tehuis woonde en dat hij ‘toevallig’ ontmoet, dwaalt hij door het half vergane gebouw. Hij herinnert zich haar als het meisje dat ooit in een toneelstukje had meegespeeld. ‘”Klopt“, antwoordt het meisje. “Ik speelde voor elfje. Logisch dat ze mij daarvoor namen.” Ze nam een lok in haar hand en begon die dromerig te onderzoeken, alsof ze zich afvroeg wat voor rol ze haar nu zouden hebben gegeven.’ Voor de lezer is dat wel duidelijk lijkt me: dezelfde rol als die van Tamara – een droommeisje.

Sanders belandt met haar in bed, maar wat daar gebeurt wordt uiteraard niet beschreven, dat zou te realistisch zijn en dus niet overeenkomen met de rol die haar is toegedeeld. De gesuggereerde bedscène is wel de aanleiding voor opnieuw een sprong terug in de tijd, naar een nacht in het leven van de vijftienjarige Leo die met een paar kornuiten probeert de slaapzaal van de meisjesafdeling te bereiken.

Hier ligt een kernmoment in zijn leven: hij heeft de kans een lang gekoesterde wens in vervulling te laten, maar hij kiest ervoor dat niet te doen. Zijn gedachten en dromen over één van de leidsters, juffrouw Selma, zijn sterker en waardevoller dan de mogelijkheid van de realiteit. Later, wanneer hij wegens zijn nachtelijke escapade in de isoleercel zit opgesloten, is zij het die hem komt troosten, zó liefdevol dat het wel echt lijkt wat er gebeurt.

Puzzelstukken

In het mooie voorlaatste hoofdstuk vallen de puzzelstukken op hun plaats. De speurtocht naar het verleden wordt afgerond, niet doordat een soort oerverklaring van het voorafgaande wordt gegeven maar doordat Sanders – en de lezer – terechtkomt bij iemand die er nooit is geweest maar tegelijkertijd het hele boek aanwezig is geweest in de gedaante van de verschillende droommeisjes en –vrouwen: Leo’s moeder. Zij was gestorven bij zijn geboorte (nee, door zijn geboorte, denkt Leo, en hij voelt zich daarom schuldig), dus moest hij naar een pleeggezin. Maar omdat hij daar niet te handhaven was werd hij in een tehuis geplaatst.

In dat voorlaatste hoofdstuk woont Leo nog bij zijn pleegouders. Op een avond vindt hij een briefje van, naar hij zeker weet, zijn schoolvriendinnetje Sita; het briefje is een soort telegram: ‘Kom gauw naar de kermis. Ik heb een schuilplaats voor je. Ik wacht bij het lunapark’. Maar is het briefje wel van Sita? Op weg naar de kermis krijgt hij een lift van een mooie, lieve vrouw die hem naar de waarzegster brengt die hem de toekomst moet voorspellen. Op zijn voorstel de waarzegster ook de toekomst van de vrouw te voorspellen gaat de laatste niet in: ze heeft alleen een verleden, geen toekomst. De waarzegster heeft weinig positiefs voor hem in petto, hij moet uitkijken anders belandt hij nog in een tehuis, meent zij.

Als Leo weer buiten staat is de vrouw verdwenen. In concentrische cirkels dwaalt hij over het kermisterrein, hij zoekt haar in de onderwereld van het spookhuis en komt terecht bij het lunapark waarboven een bord hangt waaraan een paar letters ontbreken: AMA’S LUNAPARK, staat er. Dat is een van de vele verwijzingen naar Leo’s moeder.

Geborgenheid

Zo is dit voorlaatste hoofdstuk de kortstondige vervulling van een droom: even is er de wanhopig gezochte geborgenheid geweest van het contact met de moeder. Maar tegelijkertijd ligt in dit hoofdstuk het verlies van de geborgenheid, want Leo vindt de mysterieuze vrouw niet meer terug. Al is het denkelijk wel haar stem die zijn naam fluistert vanuit de duisternis van het lunapark waar hij met een nog zwak schijnende lantaarn naar op zoek is.

Er leek geen einde aan de tocht te komen, totdat het licht definitief uitviel. Toen zag en voelde hij geen treden meer onder zijn voeten en viel, tuimelend door een duistere ijlte, helemaal naar een beginpunt, die zijn val brak, hem in zich opzoog en naar de oerschuilkelder stuwde. In die warmte, dat gedein en gegons, kroop hij in elkaar en voelde zijn bewustzijn langzaam wegvloeien’.

Dit slotbeeld van het voorlaatste hoofdstuk sluit naadloos aan bij het beeld waar de roman inzet: het begin is het einde, het einde is het begin. Dat levert geen gesloten romanstructuur op maar een oneindige structuur. Het laatste hoofdstuk geeft dat kernachtig weer: alleen maar een 8, het getal van het in zichzelf besloten oneindigheid. Het herlezen kan beginnen. En dan valt pas goed op hoe gedegen de roman in elkaar zit: ook de kleinste details blijken door deze structuur een extra betekenis te hebben. Ligt de spanning bij de eerste lezing voornamelijk bij de ontwikkeling van het oppervlakteverhaal, en het spel met de werkelijkheid en verbeelding, bij het herlezen bestaat de spanning vooral uit de ontdekking de gestructureerde samenhang van de elementen.

Barrière

Het is wegens dit ‘spel’ met de tijd en wegens de tot in de details beheerste compositie dat ik een vergelijking maakte tussen Tamara’s lunapark en Archibald Strohalm. Maar er is meer. Mulisch’ debuutroman was een noodzakelijk boek: die roman was een barrière die Mulisch moest nemen om als schrijver te kunnen verdergaan. Ik denk dat Tamara’s lunapark voor Birney ook een dergelijke functie heeft: hij heeft er lijnen voor uitgezet waardoor hij ‘verder’ kan, hij heeft een barrière genomen en nu is de weg vrij voor een oeuvre.

En er is nog iets. Archibald Strohalm vertoont gebreken waarvan Mulisch in zoverre veel heeft geleerd dat ze niet meer voorkomen in zijn latere werk. Ook Tamara’s lunapark vertoont gebreken waarvan het te hopen is dat die in Birney’s volgende boek(en) niet meer voorkomen.

De stijl van het eerste deel van het boek is nogal stroef en droog, er komen veel clichéformuleringen in voor en het is te beschouwend. Vooral de passages waarin gefilosofeerd over het leven missen zeggingskracht omdat ze worden gepresenteerd als bloedeloze beschouwing en niet als kleurrijke mening. Mede daardoor is een aantal dialogen mislukt; Birney lijkt bang ook maar iets aan duidelijkheid te wensen over te laten wanneer zijn ideeënwereld aan de oppervlakte komt. Dat is jammer, want zijn kracht ligt niet alleen in de beheerste compositie maar ook in het suggereren van dingen.

Toch hoop ik dat de potentiële lezer zich niet laat afschrikken door dit fundamentele bezwaar en het boek een kans geeft. Birney laat met Tamara’s lunapark zien dat hij het in zich heeft werkelijkheid en verbeelding zodanig met elkaar te laten vervloeien dat het raadsel niet wordt opgelost maar juist vergroot. En dat is wat mij betreft de aantrekkelijkste kant van de literatuur.