Krontjongen met Lutgard Mutsaers

raven Soms wordt mij gevraagd een boek te recenseren. Als ik een blik op mijn publicatielijst werp, dan zie ik dat het al drieëneenhalf jaar geleden is dat ik iets schreef voor East Magazine. De afgelopen week dook ik in het omvangrijke boek van Lutgard Mutsaers’ Roep der verten; Krontjong van roots naar revival. Nou heb ik toevallig een hekel aan tempo doeloe-titels met woorden als verten, palmen, smaragd, njai, erfgoed en zo meer, en aan nonfictie heb ik al helemaal de schurft aangezien veel hedendaagse nonfictie staat of valt bij de waan van de dag, en uitgevers slaafs poenige televisieshows volgen, gebracht door oppervlakkig televisievolk dat geen weet heeft van de teloorgang van wat men schrijfkunst noemt. Maar als arme schrijver en gitarist kan ik wel wat klusjes gebruiken. De opdracht kwam van Indisch Anders, de boekenkrant van het Tong Tong Festival, voorheen de Pasar Malam Besar. Ze vroegen goddank niet om het geven van sterren, waar ik ook al zo’n hekel aan heb. De boekenkrant gaat dit jaar voor het eerst online, dus wordt niet meer gratis fysiek door het land verspreid. Ik heb een paar dagen aan mijn recensie gewerkt, in vijf versies, teruggaand van 3.750 naar 1.750 woorden. Dat zijn er nog altijd 250 teveel, maar de redactie vond het wel best. Mijn recensie staat hier op de site van Indisch Anders te lezen.

The good mole

raven One morning the good mole was turned out of his bed by two ravens in uniform. They told him to get out of his hole immediately. When he asked for their identification they sniggered a little, made jokes about his blindness, and then said: ‘We have a weekend contract, a gig, badly paid, so do us a favour and leave your hole.’
     Without further discussion they roughly pulled him outside.
     ‘Any family members indoors?’
     The mole shook his head and mumbled: ‘Divorced.’
     ‘Good,’ said the first raven. ‘Listen, you had the temerity to dig underneath the king’s flowerbed which had been especially created for this weekend. Therefore the chances are that it is about to collapse. And the king has already such trouble with his back. So clear off! We’ve given you more than enough notice now.’
     ‘But I was not given a temporary digging restriction at all,’ said the mole in defense of himself. ‘Therefore I am not guilty of anything!’
     ‘Ah,’ said the second raven, ‘who’s talking about guilt. You won’t get a fine you know. C’mon, have a good look around you and explore this spacious land. You wouldn’t make a fuss about a bit of land, would you?’
     The good mole was getting nervous because of the bright sunlight and did not protest any longer, and a little further up he disappeared under the ground again. The ravens fitted a sign on the flowerbed which said N0 TRESPASSING, drew their swords and stood sentinel on either side of the hole.
     That night the good mole could not get to sleep. His new hole, dug in a hurry, did not meet the regulations of containing at least one emergency exit. Worried about this defect he started to dig all over again. But once he got going, he came upon a thin obstruction which instantly ruptured. He heard the shrieks of a woman, a man swearing and then a call for help. Barely had he recovered from the shock when he was grabbed by the collar, taken outside and given a whack on his head by two feathered men.
     When the sun stood high in the sky he regained consciousness in a hollow tree flanked by the two ravens. The ravens were of the opinion that the mole should be on trial for a disturbance of domestic peace. The good mole, however, appealed on the grounds that circumstances beyond his control had forced him to dig without preconceived plan.
     ‘The case is very precarious. Notwithstanding your circumstances you shall at least have to be arrested and charged with voyeurism. You caught the king with his mistress, didn’t you, and what’s more, in a compromising position,’ sniggered the ravens.
     ‘But I haven’t seen a king at all, let alone his mistress!’ said the good mole in defense of himself.
     ‘Hmm ye-es, we didn’t take your blindness into consideration a moment ago.’
     Relieved the good mole made a move to leave the hollow tree.
     ‘Hold on, just you wait a minute! Now that you know about the whole affair… You only need to make a phone call to a journalist and the king hangs.’
     ‘That’s what I would never do. I swear! And isn’t it because of your thoughtlessness that I came to know about it?’
     ‘Well, yes, it’s distressing, but it can’t be helped,’ they decided shrugging their shoulders.
     It was a long trip to the sea and to relieve the boredom the ravens took turns in hurling the mole to each other. When they dropped him, somewhere over the water, they said to each other: ‘It was well worth the trouble. The king’s mistress looked superb.’
     And chortling they tossed their stained tissues after him.

* * *

Copyright © 1984, Alfred Birney. From Fantasia, a collections of stories. Amsterdam: Contact, 1999. Translation by Amy Horn. No reproducing allowed in any form without written permission from the author.

Een magische picknick

Ik vond onlangs een filmpje terug van mijn bezoek aan het graf van mijn grootmoeder en zette het op YouTube, waarmee ik mijn YouTube-kanaal open… Onderstaande tekst is van tien jaar terug en deze scène komt in een zeer vrije bewerking terug in de novelle Rivier de Brantas, het 3e en laatste deel van mijn Rivieren-trilogie.

Als je in een vloek gelooft, geloof je ook dat je die kunt afsmeken. Geen hond die daaraan twijfelt in Semarang. Tijdens een promotour op Java voor de Indonesische vertaling van zijn roman De onschuld van een vis (Ikan Tanpa Salah) maakte ik een tussenstop voor een selamatan in Ungaran. Die valt uitgerekend op 10 oktober 2004, de zondag voor het begin van de vasten, als de mensen volgens de pre-ramadantraditie en masse de graven van de overledenen bezoeken.

Mijn vertaalster Widjajanti Dharmowijono vergezelt me naar het cateringbedrijf dat selamatans verzorgt. Het ligt in een volksstraat, met een open erf en de deuren wijd open. De baas zit in een rolstoel, maar zijn tevreden gezicht zegt dat de zaak goed loopt. Aan de eenvoudige receptie, waarachter vier vrouwen zitten, maken wij onze wensen kenbaar en bestellen een passende selamatan, inclusief een geestelijke, exclusief vervoer. Ik ga akkoord met de kosten van 500.000 rupiah. Afdingen op een selamatan valt buiten mijn fatsoensnormen.

Volgens mijn vertaalster zal de geestelijke straks met vijf euro extra dik tevreden zal zijn. Ze is blij dat ze op het vervoer heeft weten te bezuinigen. Ze is Chinese, net als mijn grootmoeder, vandaar. Ze vindt mij buitengewoon on-Chinees vanwege mijn dédain voor geldzaken, en juist weer heel Chinees door mijn hang naar grootouderverering en mijn gebruik van de I Ching.

De dag is aangebroken. De chauffeur van mijn vertaalster haalt de hoge Japanse terreinauto uit de garage en we stappen in. Ik koop bloemen langs de weg, in vijf rieten mandjes, de symboliek van de pancasila indachtig. Bij het cateringbedrijf is alles in gereedheid gebracht. De geestelijke in kwestie is een mudin, hij die oproept tot het gebed in de moskee. Hadji’s worden niet gevraagd. Die staan hoger op de mohammedaanse ladder en behoren zich niet met een van oorsprong zijnde hindoe selamatan in te laten.

De mudin is innemend. Bij de kennismaking laat ik alvast wat geld in zijn hand glijden, opdat hij extra zijn best zal doen. Het is een wat oudere man, rustig, met een prettige, licht doorrookte stem. Hij loopt op sandalen, draagt een gebatikte lange blouse over zijn donkerblauwe katoenen pantalon en het bekende petji op zijn hoofd. Met de chauffeur legt hij de etenswaren, verpakt in pisangbladeren, bamboe mandjes en met linten gestrikte roodwitte gebaksdozen, op ronde bamboe schalen in de laadruimte van de terreinauto. Ook gaan er kleden mee voor de magische picknick.

Ungaran ligt niet ver zuidwaarts, maar het is hectisch op de hoofdweg, die loopt van Semarang in het noorden naar Yogyakarta in het zuiden. Rond tienen duiken we langs een asfaltweg omlaag naar het stille Ungaran. Twee, drie straten door en we rijden het erf op, dat ik in mijn roman Vogels rond een vrouw beschreef. Het oude koloniale landhuis is een ruïne inmiddels. Na het overlijden van de vereenzaamde weduwe van mijn oom wilde niemand hier meer wonen. De marmeren voorgalerij ziet zwart van de aanslag, de felle zon werpt banen licht door de gaten in het dak. Twee jaar terug huisden er kippen, nu is het huis zelfs voor pluimvee te min. Wie weet halen zelfs de spoken inmiddels de neus op voor deze bouwval.

Ik ga het gestorven huis binnen en probeer me een voorstelling te maken van hoe mijn grootmoeder hier heeft gewoond. In welke ruimte zal haar ziekbed hebben gestaan? De bepleistering is van de muren losgeweekt, het bakstenen geraamte op de funderingen zal misschien een eeuw oud zijn en zwijgt. Mijn grootmoeder stierf hier in 1965, mijn oom in 1978 onder raadselachtige omstandigheden. Goena-goena, waarschijnlijk. Toen een van mijn tantes met haar familie hier eens kwam logeren, werden ze weggepest door een boze geest, die alsmaar aan de deuren rammelde. Was díe het die mijn vader zo achtervolgde, naast die vervloekte oorlogsherinneringen? Waarop doelde hij vroeger altijd wanneer hij sprak van een vloek over de familie?

Ik vertel de mudin dat ik hier tweemaal eerder was en heb vergeten bloemen op het graf van mijn grootmoeder te strooien. Dat ik twee jaar terug iemand geld heb gegeven om het graf te laten restaureren en dat uitgerekend op die dag mijn broer in Holland door een mysterieuze ziekte werd overvallen, die geen arts kan plaatsen. Dat ik denk dat de geesten het op mij gemunt hadden, maar dat ik beschermd ben geweest door mijn grootmoeder, zodat de boze krachten mijn broer te pakken hebben genomen. Dat wij geloven dat er een oude vloek op onze familie rust.

De mudin knikt begrijpend en laat me op de achterzijde van een promotieansichtkaart die ik bij me heb de namen van mijn familieleden in volgorde van generatie noteren. Ik wijs de mudin het graf van mijn grootmoeder. Voor de selamatan wordt het iets hoger gelegen overdekte terras gekozen. Stil gaat het nieuws in de schaars bevolkte omgeving rond, dat een familielid van een der begravenen uit Europa is gekomen om hier een selamatan te houden. Wanneer de mudin en de chauffeur de kleden op de terrasvloer hebben gelegd, verschijnen een voor een de opgetrommelde mannen, die in kleine huisjes rond de begraafplaats wonen. Op eerbiedige afstand blijven ze staan wachten. Vrouwen zijn van het ritueel uitgesloten.

De sandalen en slippers zijn uitgetrapt, zes kampongbewoners vormen een halve maan op de kleden rond de uitgestalde etenswaren. Ik deel een kleed met de mudin en de chauffeur aan het hoofd van de kring. Mijn vertaalster mag van buiten het terras foto’s maken. De mudin heet de kampongbewoners welkom in het Bahasa Indonesia en dankt hen dat zij zo goed willen zijn aan de selamatan voor deze Indo-Belanda deel te nemen. Allah zal hen daarvoor ongetwijfeld prijzen. Ik word vriendelijk en meelevend toegeknikt. De mudin zit tussen mij en de chauffeur in en houdt een inleiding in het Javaans. Dan word ik verzocht om de bloemen op het graf van mijn grootmoeder te strooien. De chauffeur loopt mee om de mandjes aan te reiken. Na een innerlijk schietgebedje bestrooi ik het graf met de bloemen.

Teruggekomen laat de mudin mij nu in het midden van het kleed zitten, neemt zelf links plaats en ontsteekt de wierookpot. Met mijn promotieansichtkaart met de namen in zijn hand gaat hij verder in het Arabisch. De kampongbewoners prevelen nu en dan ‘ja’ terwijl de mudin zijn smeekbeden aan de hemel richt. Ik hoor hoe de namen van mij en mijn familieleden, naarmate het uur verstrijkt, steeds Arabischer gaan klinken. Voor het eerst in mijn leven ervaar ik een vrome saamhorigheid met en temidden van islamieten. Wij openen de handen om de zegen van boven te ontvangen, terwijl de mudin zijn magische zangerige verzen laat horen.

De verdeling van het eten in de bèsèks, vierkante rieten mandjes, begint. Ik krijg het topje van de rijstkegel. De mudin laat mij de voorgeschreven negen stukken van de kip nemen. Ik ben vrij in het kiezen uit de overige gerechten, mag de mat verlaten en aan de rand van het terras aan mijn maaltijd beginnen. De kampongmensen wensen mij selamat makan toe en volgen verlekkerd de handelingen van de mudin, die het overige eten verdeelt. Tevreden nemen ze afscheid van me en vertrekken met hun bèsèks om de spijzen thuis te nuttigen. De mudin zondert zich af voor de offerande bij het graf van mijn grootmoeder. Kleine schaaltjes van pisangblad met zoetigheid worden bij de hoeken van het graf geplaatst. Ook de belendende graven krijgen schaaltjes met zoetigheid, zodat de naburige geesten mee kunnen eten voor groter heil. De mudin draagt mij na zijn slotgebed op met mijn rechterhand driemaal het graf aan te raken, en dan is het gedaan.

Onderweg terug naar Semarang zegt de mudin dat als je in de omgeving woont je ten minste eens in de drie maanden een selamatan moet houden. Woon je verder weg, dan eens per jaar. Kom je van overzee, probeer dan eens in de drie jaar te komen. “En hoed je voor de hadji’s, zij staan alleen maar hoger dan mudins omdat zij tweemaal de bedevaart naar Mekka hebben gemaakt. Ik ken er zoveel die zich trots hadji noemen maar helemaal niets weten. Zij vergeten dat het niet uitmaakt of je een selamatan houdt voor een moslim, een christen, een boeddhist of een hindoe. Wij zijn allen mensen, allen gelijk, er is maar één God en het maakt niet uit hoe wij hem noemen.”

In de namiddag neem ik een bad in mijn hotelkamer en val op bed in slaap. Ik word gewekt door mijn mobiele telefoon. Een sms van mijn zieke broer meldt dat hij al urenlang stemmen hoort, Indonesische stemmen van een jaar of vijftig terug, zo lijkt het wel. Ze zijn volgens hem met vijf en praten opgewonden over iets dat ze indertijd nooit hadden mogen toestaan. Maar wat? En hoe hoort hij die stemmen dan? In zijn hoofd? Nee, niet precies. In zijn kamer? Ook dat niet precies. Maar ze zijn er, die stemmen, en hij zal ze zeven uur lang blijven horen eer ze verdwijnen als in een wegstervend refrein.

Archipel Magazine, lente 2005
Copyright © 2005 Alfred Birney
Reproduction not allowed

alfred birney rivier de brantasAlfred Birney
Rivier de Brantas
Novelle
Haarlem, Knipscheer Publishers, 2011
Hardcover, ingenaaid, met flappen, 106 blz
Cover Sabrina Luthjens
ISBN 978-90-6265-669-1
Prijs: €16,50
Bestellen

Rivier de Brantas is het verhaal rond een gitarist, die bij het graf van zijn grootmoeder op Java een vloek wil bezweren die op zijn familie zou rusten. In het boek, vol tempowisselingen en vertellingen, passeert de Nederlandse koloniale geschiedenis spelenderwijs de revue. Iedereen die de reizende gitarist ontmoet lijkt van die ingrijpende geschiedenis doordrongen, in tegenstelling tot veel mensen in Nederland. Herinneringen lijken plaatsbepaald, en de gitarist, met zijn familiewortels op Java en in Nederland, moet lang met zijn vragen wachten voordat hij uiteindelijk een antwoord krijgt van toevallige passanten.

Met Rivier de Brantas is Alfred Birney’s trilogie-in-novellen voltooid. De verschillende titels kunnen ook zelfstandig, of in willekeurig welke volgorde gelezen worden.

Iedere regel, elk woord staat op de juiste plek. Minder is meer. Er ontstaat een rust die de lezer de tijd en de ruimte gunt ergens over na te denken. Literatuurplein

Na het lezen stroomt het verhaal nog door. Als in een rivier waarbij de stroom nooit eindigt en het water altijd een weg zal vinden. De Aziatische Tijger

Kalm en prachtig beschreven passeert de koloniale geschiedenis van Indonesië, geschiedenis gezien door het oog van de verteller, vrijend met de dichtkunst, elk woord op de juiste plek en geen woord teveel. Antilliaans Dagblad

Trio Las Sombras

Kijk eens hoe ze opkwamen in de jaren vijftig. Gesoigneerd, er gaat nog net geen gordijn open. De zanger en sologitarist kruisen elkaar voor het lied wordt ingezet. Terwijl de zanger zich met een toen nog straffeloze macho mime tot een denkbeeldige schone dame wendt, tovert de sologitarist de brutaalste riedels uit zijn gitaar. Het is vooral hij die mijn aandacht trekt. Hij speelt zo gemakkelijk dat ik er bijna om moet lachen. Als deze muziek door de radio klonk, dan kreeg mijn vader heimwee naar een land waar hij nooit geweest was: Mexico. Hoe hij zich daar het leven voorstelde, weet ik niet. De zon scheen er altijd, dat was genoeg voor hem. Ik zag dit trio nooit op de Nederlandse televisie, ik weet zelfs niet of ik ze ooit wel op de radio hoorde. Het moet haast wel. Ik begroet de heren met een glimlach van herkenning. Zijn ze dood nu? Of heel erg oud? Negen gedaantenverwisselingen onderging het trio in zijn roemruchte bestaan.

Work in proces

alfred birney manuscript Dit is een snapshot met een iPhone 4 van de eerste versie van mijn aanstaande roman, vers uitgeprint op 460 A4’tjes 70 grams papier, lettertype Times New Roman, regelafstand 1,5 – om kort te gaan: 195.974 woorden. Dat is een pak papier goed voor een paperback van 600 – 700 bladzijden. Zo’n dikke pil schreef ik nooit eerder.

Mijn dikste boek tot nu toe was Het verloren lied, een roman van ongeveer 80.000 woorden, goed voor een paperback van 320 bladzijden. Mijn dunste boek is de novelle Rivier de Lossie, in manuscript 21.501 woorden. Afgerond is mijn dunste boek dus 20.000 woorden lang en dit manuscript, dat ik hier op schoot heb, bijna tienmaal dikker met zo’n 200.000 woorden.

In een dun boek moet elke bladzijde goed zijn, je hebt eenvoudig geen tijd om een aantal zwakke bladzijden goed te maken. Met een dik boek heb je meer speling, je kunt jezelf wel wat minder sterk geschreven bladzijden veroorloven. Dat weet elke schrijver. Maar dan moet het wel een boek zijn met een sterk verhaal, anders smijten de lezers het in de hoek. Ik streef ernaar waar mogelijk flink te schrappen.

Ik schrijf mijn boeken meestal in drie versies. Met deze eerste versie op schoot ga ik het proberen te lezen zoals een lezer dat doet, dus zonder potlood erbij. Dat is al een hele kunst: net doen alsof je alles voor het eerst leest. Fouten laat ik staan, ik kijk alleen naar de voortgang van het verhaal. Aantekeningen maak ik niet. De compositie is goed, denk ik. Ik onthoud vanzelf wel waar het boek eventueel inzakt. Dit zijn spannende dagen voor me.

Ik zou niet weten hoelang ik precies aan dit enorme boek heb gewerkt. Er staan herschreven stukken in van twaalf jaar terug, een interview met mijn moeder en informatie uit de memoires van mijn vader gaan zelfs terug tot 1985. Ik ben aan dit manuscript begonnen direct na de publicatie van mijn essay De dubieuzen in 2012. Hier ligt dus het resultaat van twee jaar hard en intensief ‘s nachts in afzondering werken. Ik zou die twee jaren niet graag overdoen…

Later meer over de voortgang, en de inhoud, van dit boek.

Inleiding Le Banian

De Association franco-indonésienne Pasar Malam, gevestigd in Parijs, geeft onder meer uit een literair-cultureel tijdschrift onder de naam Le Banian. Voorbereid wordt momenteel een special over de Nederlandse koloniale en postkoloniale literatuur. Mij is gevraagd een inleiding te schrijven en dat heb ik net af en verstuurd.

Adriaan van Dis schrijft het nawoord en er worden stukken opgenomen van ons en onze collega’s en nog een paar Indische schrijvers van de eerste generatie. Daarnaast is er ruimte voor artikelen over het culturele Indische leven in Nederland, de hernieuwde aandacht voor oorlogsexcessen gepleegd door Nederlanders in Indonesië en Indonesische schrijvers in Frankrijk en Nederland.
De vertalers gaan nu aan de slag. De uitgave van de bundel zal worden gevierd in december in Quai Voltaire aan de Seine.

De bundel kent vijf afdelingen:

I Non-fictie
Mijn introductie (historisch en literair) op de postkoloniale Nederlandstalige literatuur in verband met Indonesië.
Herinnering aan oorlogsgeweld in Indonesië weer in de actualiteit, gebaseerd op persberichten van de laatste jaren.
Lizzy van Leeuwen –  fragment uit Ons Indisch Erfgoed: het eerste Indische postkoloniale geschiedenisoverzicht van 1950 – 2000.

II Fictie
Acht schrijvers van de Tweede Generatie, acht prozafragmenten.

III Literatuur van Indonesiërs in Frankrijk en Nederland.

IV Indo cultuur in Nederland anno 2014
Over de Tong Tong Fair, Museum Bronbeek, Maandblad Moesson, Werkgroep Indische letteren etc.

V Nawoord Adriaan van Dis, waarin de schrijver een link legt tussen de Nederlandse en Franse postkoloniale literatuur

Basta De Urbanismo Salvaje

Ik was in Roquetas de Mar, Zuid Spanje, voor een korte vakantie en huurde er een fiets om naar Almeria te gaan. Het was mijn eerste vakantie sinds 2002 en ik was nog nooit in Spanje geweest, afgeschrikt door de enorme toeristengebieden in plaatsen als Torremolinos. De fietstocht voerde langs verlaten flatgebouwen, bungalows en hotels, die in een periode van overdreven optimisme er zijn neergekwakt en waarschijnlijk nooit bewoond zullen worden. Ze kunnen die spookgebouwen beter tegen de vlakte gooien en er de natuur zijn gang laten gaan: dat trekt meer toeristen, lijkt mij zo. Het fietspad liep dood halverwege bij Aguadulce; de autoweg opgaan was te gevaarlijk. Mijn gezellin ontwaarde een protestleus die op een muur was gekalkt:

Basta De Urbanismo Salvaje


Basta De Urbanismo Salvaje

Dat betekent: stop met de wilde stedenbouw, of zoiets als stop de stedelijke wildgroei. Het zal wel geen toerist zijn geweest die die leus op de muur heeft gekalkt. Een paar jongeren die verveeld en werkloos op het dorpsplein rondhangen misschien? De jeugdwerkloosheid is momenteel 50 procent in Spanje. Het geld, dat voor andere doelen gebruikt had kunnen worden, ligt er in waardeloos beton gegoten. Er zijn mensen die rijen zonnepanelen een afgrijselijk gezicht vinden. Maar treuriger dan leegstaande gebouwen, wachtend op expats die, op een enkeling na, door de crisis daar tóch niet neerstrijken, kan niet.

Switchen van Jazz naar Fingerpicking

leavitt Ik weet niet of mijn leerlingen mijn nog jonge fingerpicking weblog volgen, maar het lijkt wel alsof mijn vorige post iemand op een idee heeft gebracht. De leerling, niet meer zo jong, was bezig met A Modern Method for Guitar van William Leavitt, met mijn Finger-Picking-Technieken, met het populaire songbook van The Beatles plus met Guitar Jazz Harmony, een theorieboek van Fred Harz. Uiteraard is dat wat veel. De lessen liepen dan ook altijd een half uur uit en ja, het was wachten totdat de meer dan leergierige student iets zou laten vallen. Dat deed hij gisteren per e-mail. Driekwart van de les graag voor fingerpicking en een kwartiertje voor de rest. Wise guy. Jazz sluipt er vanzelf in als je verder komt met fingerpicking.

Switchen van fingerpicking naar klassiek

sagreras Het mag misschien ongeloofwaardig klinken, maar klassiek gitaarles voor beginners is makkelijker dan meteen beginnen met fingerpicking. Fingerpicking vraagt om gevoel voor swing en liefde voor de stijl. De klassieke methode van gitaar leren spelen betekent: een goede houding aannemen, netjes in de maat spelen, de eerste saaie weken doorkomen en dan begint het al gauw aardig te klinken. Zo had ik laatst een beginnende leerling die moeite had met fingerpicking en ook niet precies wist wat ze nou eigenlijk wilde. Zoiets kan gebeuren na een paar lessen. Jonge mensen kunnen een jaar fingerpicking doen en dan overstappen naar blues, pop, rock, jazz – ze hebben de tijd en kunnen doen wat ze willen. Oudere mensen doen er goed aan één stijl te kiezen. Ben je melodieus ingesteld en gaat het je niet om zingen bij de gitaar, instrumentale fingerpicking nummers en swingen op een ragtime blues beat, dan is een klassieke basis wellicht het beste voor je. Dus: ben je al op leeftijd en je wilt gitaar leren spelen zonder precies te weten wat je wilt, ga dan voor klassiek. Noten lezen is niet moeilijk. Dat leer je spelenderwijs. Ja, in het begin ziet het notenschrift er uit als krentenbrood, maar daar raak je écht snel mee vertrouwd. Ik werk met de beroemde methode van Sagreras. Je kunt dan later altijd nog overstappen op fingerpicking. Maar wat is fingerpicking nou eigenlijk? Daarover later meer.