Gratis boek Tolk van Java bij abonnement Moesson

Voor wie nu een jaarabonnement neemt bij Maandblad Moesson, krijgt gratis de roman De tolk van Java cadeau! Een jaarabonnement kost € 47,65 en het boek, gebonden met flappen, 540 pagina’s, kost € 22,50. Tel uit je winst! Voor meer informatie, click hier voor meer info over deze lezersactie en Moessons februari-nummer 2016. Of bel met 033 – 4 611 611

moesson 2016 februari

In dit nummer van Moesson, met het adagium Make Love – not War, staat een romanfragment afgedrukt uit De tolk van Java. Het aantal gratis exemplaren in deze aanbieding geldt zolang de voorraad strekt!

Geschreven door Reacties staat uit voor Gratis boek Tolk van Java bij abonnement Moesson Gepost in Weblog

Voorpublicatie Tolk van Java in EAST Magazine

east magazine winter-2015 Uitgerekend vandaag, op de tiende sterfdag van mijn vader, valt het winternummer van EAST / Down Under Magazine bij me in de brievenbus. in dit kwartaalblad staat erg mooi een voorpublicatie van mijn roman op komst afgedrukt: De tolk van Java. De term voorpublicatie is wat vals, aangezien het om een bewerkte tekst gaat, die ik schreef voor mijn optreden afgelopen september bij Read My World.

Mij was door de organisatie van RMW gevraagd een monoloog te schrijven. Ik nam twee fragmenten uit mijn manuscript en bewerkte die voor mijn voordracht. De monoloog is getiteld ‘Arto, kom tot ons’ en die titel nam ik vervolgens weer over in mijn manuscript. De monoloog is een oproep van mijn grootmoeder aan haar zoon, mijn vader, om de wereld te verlaten. Mijn grootmoeder komt hem als het ware halen. Mijn leven staat bol van toevalligheden, maar deze mag er zijn: op de tiende sterfdag van mijn vader wordt voor hem, in EAST Magazine, nog eens de klok geluid.

arto-tolk-van-java

EAST Magazine, voluit East Down Under, is de voortzetting van Archipel Magazine, het blad waarvoor ik in de periode 2005 – 2010 verhalen, columns en recensies schreef. Het is thans een magazine over Azië en Oceanië. Dit winternummer is voor een deel gewijd aan Australië, met artikelen over de keuken, zeilen langs de bounty-eilanden, een off-road trip naar Wilson River en zo meer. De boekenafdeling wordt gevuld met reviews van onder meer een roman van de Indonesische schrijfster Leila S. Chudori, vertaald door Henk Maier, en een roman van Laksmi Pamuntjak, een andere Indonesiche schrijfster. Kester Freriks, still going strong, bespreekt drie boeken over reizen in de oude tijd, geschreven door Gerard Termorshuizen, Frank Okker en Peter van Zonneveld.

Het andere deel van het blad neemt je mee naar het huidige Papua Indonesië, naar de Frankfurter Buchmesse met Indonesië als eregast, naar het oude Medan uit het begin van de vorige eeuw, naar Thailand en Vietnam. Dan nog een treinrit van Bandung naar Yogya, die ik u overigens persoonlijk zeer kan aanbevelen.

Het magazine wordt afgesloten met mijn verhaal ‘Arto, kom tot ons’, gevolgd door een artikel over de Peranakan Cuisine. Mijn vader was een peranakan, zoon van een Chinese vrouw en een Indo-Europese vader. En zo is, voor mij althans, het verhaal rond in deze aflevering van EAST Magazine.

Correctieronde De tolk van Java

de tolk van java
Correcties in De tolk van Java

Oef, de bureauredactie van de uitgever en de corrector waren erg streng voor me. Dat moest ook wel, want bij uitgeverij De Geus hanteert men het zogenoemde Witte Boekje, zoals Trouw, de Volkskrant en het NRC (ik schrijf opzettelijk nog het, ja) dat doen, en aangezien ik de afgelopen jaren onder een steen heb geleefd – want dat doe je als je aan een enorme roman werkt – had ik er geen idee van wat het Genootschap Onze Taal allemaal aan het uitvreten was, en is. Het schijnt oorlog tussen het Groene Boekje en het Witte Boekje en dat zal duren zolang de Nederlandse taal leeft.

Ik leerde ooit nog net geen sch schrijven, zoals in ‘wat wenscht U?’, maar ik heb cigaret nog wel met een c geschreven, al dan niet als cigarette. Met de voorkeurspelling werd het echt feest. Bureau mocht ook als buro worden geschreven. Toen men de aanelkaarschrijfziekte kreeg, haakte ik af. Dus ik schrijf volle maan en geen vollemaan. Helaas gaat dat vollemaan worden. Is dat niet net zo idioot als zo-even? Zo wordt het nooit wat met die polderspellingvetes tussen mensen die zich verschansen achter boekjes in rood, groen, wit en nog zo wat van die kleurtjes. Lollig is dat toen het Groene Boekje verscheen, er ook het alternatieve Rode Boekje kwam. In het Groene Boekje stond indo met een kleine letter, in het Rode Boekje stond het met een hoofdletter. Ik ging dus voor het Rode Boekje, want indo met een kleine letter is een scheldnaam uit tempo doeloe. Nou dacht het hoofd van de bureauredactie, die ik in mijn spellingwanhoop even aan de lijn had, dat ik het over het Rode Boekje van Mao had. Dat werd lachen natuurlijk. Kennelijk is dat boekje door het geteisem van het Groene Boekje, wellicht in een alliantie met de maffia van het Witte Boekje, de hoogovens van IJmuiden ingeflikkerd. Bestaan ze nog, die hoogovens? Andere naam gekregen zeker?

Nederland is veranderingsziek dus ook de spelling moet weer op de schop. Schrijven is een creatief bezigheid, spellen is naäpen of na-apen ofwel slaafsch de aenwyzinghen van spellingdictators volgen. Bij mijn weten heeft nog nooit een schrijver het nationale dictee gewonnen. Of is het Nationaal Dictee? O? Groot Dictee? Geloof ik niks van. Dan moeten ze er het Middelnederlands en het zeventiende-eeuwse Nederlands bijdoen. Maar ik dwaal af, en wel vanaf de eerste zin. Ik had alleen maar willen melden dat mijn roman bijna gereed is om naar de drukker te gaan. Aangezien ik weer helemaal in de tekst dook, kamp ik momenteel weer met afkickverschijnselen. Ik ga mijn huis maar eens schoonmaken.

De tolk van Java in aanbiedingsfolder

De tolk van Java in aanbiedingsfolder
De tolk van Java in aanbiedingsfolder

De vorige week woonde ik een vergadering bij van mijn uitgever en redacteur met een peloton pr-mensen. Ik was de laatste Nederlandstalige schrijver die arriveerde, op één na waren de anderen al vertrokken. Ik had me goed voorbereid, althans: dat dacht ik. Maar tijdens het etentje achteraf liet mijn uitgever me weten dat ik in het begin te veel uitwijdde. Daarom had hij ingegrepen en me met een enkele vraag op het juiste spoor gezet.

Wat is dat juiste spoor dan wel niet in deze moderne tijden? Nou, ik moet snel en helder de inhoud van mijn roman uiteen kunnen zetten. Mijn redacteur zei vergoelijkend dat het ook niet bepaald gemakkelijk is om zo’n gelaagde roman, geschreven in verschillende stijlen, eventjes na te vertellen.

Maar het was een zeer leerzaam onderhoud met die pr-mensen, die immers je boek moeten verkopen. Ik ben nu dan ook aan het oefenen hoe ik binnen één minuut mijn roman kan samenvatten, zonder het dikke boek geweld aan te doen. Eerlijk gezegd is het wel een leuke oefening. Ik begon met vijf minuten en zit nu ergens aan de drie minuten. Zodra ik De tolk van Java in één minuut kan samenvatten, slinger ik het op dit blog. Voor wie nieuwsgierig is naar wat er de bladzijden in de aanbiedingsfolder staat, ga naar deze pagina op de website van Uitgeverij De Geus.

Manuscript De tolk van Java

Alfred Birney Manuscript De tolk van Java
Manuscript De tolk van Java

Hier ligt mijn manuscript van De tolk van Java, dubbelzijdig geprint, na bewerking op suggesties van de redacteur van uitgeverij De Geus. Als je goed kijkt, zie je nog andere werktitels staan. Maar die doen er niet meer toe. De roman verschijnt op 15 februari 2016.

Preview in De Nederlandse Boekengids

De Nederlandse Boekengids
Omslag van De Nederlandse Boekengids, met rechts in de inzet mijn vader als 22-jarige ‘tolk’ onder de Mariniersbrigade ergens in een desa op Oost-Java rond 1947.

Mijn komende roman gaat allengs in productie en de eerste preview is er al. Hoe kan dat? Een van mijn proeflezers, Herman Keppy, las een oerversie van het boek en bespreekt het kort in een nieuw tijdschrift: De Nederlandse Boekengids. De titel van zijn artikel is een ironische sneer naar voor wie de schoen past: Daar wordt wat groots verricht. Dus niet: Daar werd wat groots verricht.

Keppy begint zijn artikel zo:

Het Nederlands militair optreden in Indonesië lijkt eindelijk hot. Maar wie schrijft nu het boek der boeken? Of is het al geschreven?

Vervolgens gaat hij in op de huidige aaneenschakeling van ‘onthullingen’ over de koloniale oorlog die Nederland voerde in Indonesië. Zijn die ‘onthullingen’ nou wel zo nieuw? vraagt hij zich af. Keppy meldt, terecht, dat eindredacties bij de media niet bijster goed zijn ingevoerd in onze koloniale geschiedenis. Ikzelf roep dat ook al 15 jaar, maar verder dan de roepende in de woestijn heb ik het wat dat betreft niet geschopt. Gelukkig groeit de schare intellectuele multiculturalisten, bij wie mij nu en dan onderdak wordt geboden in een oase van kennis.

Waar komt de groeiende belangstelling voor de Nederlandse koloniale oorlog eigenlijk vandaan?

De eerste verklaring is simpel: Indische mensen van het eerste uur sterven uit en Hollandse jongens die in Indonesië hebben gevochten – de zwijgende Hollandse vader dus – besluiten voor hun dood eens een boekje open te doen. Eerst lekken er foto’s uit in kranten. Dan verschijnen er filmbeelden op YouTube. De Nederlandse regering wordt heel eventjes wakker en gaat als te doen gebruikelijk veel te laat over tot herstelbetalingen aan onder meer achterstallig soldij van KNIL-militairen, een leger dat bijkans compleet onder de zoden ligt. Nou is het wél altijd het KNIL dat de klok slaat, en dat is nogal frustrerend want de mariniers moesten het vuile werk opknappen.

De tweede verklaring wordt door Keppy niet zonder brommerigheid gebracht. Drie instituten van naam en faam dienden in 2012 bij de regering een verzoek in om een ‘gezaghebbende beschrijving en analyse’ op te kunnen stellen van het Nederlandse militaire optreden in Indonesië.

Gezaghebbend, right?

Het verzoek werd niet ingewilligd. Intussen zijn wetenschappers toch aan de slag gegaan en thans begint de mantra ‘het Nederlandse geweld was structureel’ overal rond te zingen, in tegenstelling tot het tot nog toe heersende idee dat het tijdens de koloniale oorlog slechts om enkele excessen ging. Beter laat dan nooit dan maar.

Herman Keppy is wars van de vlijt waarmee wetenschappers het wiel aldoor opnieuw uitvinden en wijst op waardevolle boeken die al 45 jaar geleden zijn verschenen. Nieuwe boeken hebben volgens hem alleen waarde als die van mensen komen die dicht bij het vuur hebben gezeten. Zo zal in december postuum verschijnen een boek van Generaal b.d. Ben Bouman. En van mijzelf medio februari 2016 een roman, waarin de belevenissen van mijn vader als tolk voor de Mariniersbrigade een belangrijke en vérstrekkende rol spelen.

Bouman legt de focus op honderden nota bene Indonesische vechtjassen die een Speciale Troepen-eenheid vormden in dienst van een Hollandse divisie. In mijn op handen zijnde roman laat ik zowel de Hollanders als de Indonesiërs hun guerillamuziek van klewangs, machinegeweren en landmijnen horen. Want er werd een guerilla gevoerd, die volgens mijn uitgever nog nooit eerder werd beschreven zo dicht op de huid van een soldaat als mijn vader.

Kortom: wat onze drie gezaghebbende instituten willen, lijkt op herkauwen van wat allang is beschreven. Het is maar wat je wilt: met je ogen dwalen over saaie bladzijden van wetenschappers die zoiets als gezag nastreven? Of ongekend proza lezen van mensen die geen last hebben van voetnotenapparaten en poldermodelgedoe avant le lettre?

Dit is de strekking van Keppy’s artikel uit het nulnummer van het nieuwe tijdschrift op de Nederlandse markt, dat zich naar eigen zeggen onbescheiden modelleert naar The New York Review of Books. De bijdragen zijn van de hand van specialisten in de diverse disciplines en van vakjournalisten.

Herman Keppy in De Nederlandse Boekengids over mijn aanstaande roman De tolk van Java:

Een wonder dat Alfred Birney er zo feitelijk en soms ook met veel humor over kan schrijven. Hij geeft een nieuwe dimensie aan het dekolonisatiedrama, want heimwee en agressie eindigen natuurlijk nooit met het opbouwen van een nieuw bestaan in een vreemd land.

Read My World voordracht en interview Alfred Birney

Read My World
Read My World, vrijdag 2 oktober, 21:00 – 23:00: Alfred Birney

Read My World – editie Zuidoost-Azië vindt plaats van 1 t/m 3 oktober 2015 in de Tolhuistuin in Amsterdam, met twee optredens van Alfred Birney.

Tuinzaal:

Vrij 2 oktober – 21:00 – 22:00. Over de dood heen

Stel je voor dat je dood bent. Wat had je nog moeten zeggen en tegen wie? Met deze vraag gaan vier auteurs aan de slag. Ellen Heijmerikx, Kira Wuck, Alfred Birney en Seno Gumira Ajidarma (Verenigde Staten/Indonesië) schreven een monoloog en dragen die voor vanuit het perspectief van een al dan niet fictief personage dat nadenkt over wat er nog gezegd had moeten worden. Een opdracht die het vervreemdend perspectief viert en zich zelfs door de dood niet laat stoppen.

Met: Kira Wuck, Alfred Birney, Ellen Heijmerikx, Seno Gumira Ajidarma, Rashid Novaire en Sietske Roscam Abbing

Literair café:

Vrijdag, 2 oktober – 22:00 – 23:00. Dubieuze geschiedenis

Multatuli kent iedereen, maar wie heeft van Victor Ido gehoord? Alfred Birney laat in zijn essay De dubieuzen de onderbelichte kanten zien van de Nederlands-Indische literatuur. Programmamaker en onderzoeker Lisanne Snelders gaat met hem in gesprek over beeldvorming, gemengde afkomst en mooischrijverij.

Nieuwe stemmechanieken voor mijn oude Orozco gitaar

van-gent-stemmechanieken-orozco-gitaar.jpg orozco-rozet-gitaar.jpg

Mijn oude Orozco gitaar (1978) is een collector’s item geworden. Orozco gitaren worden niet meer gebouwd en hebben behalve vele voordelen één nadeel: de stemmechanieken hebben een afwijkende maat, vergeleken met zo’n beetje 95 procent van alle klassieke en flamenco gitaren. Dezelfde afwijkende maat tref je aan op oude Duitse gitaren van Hanika of Oscar Teller uit de jaren zeventig. Na een vergeefse speurtocht langs onwelwillende en overbezette gitaarbouwers op het internet kwam ik op het spoor van Peer Dellen, de beroemde Nederlandse gitaarbouwer. Hoewel hij inmiddels geretireerd is, doet hij nog wel eens een klusje als hij daar zin en tijd voor heeft. Eerst probeerde hij de originele mechanieken te herstellen. Dat bleek zinloos, de mechanieken waren volkomen versleten. Geen wonder dat ik altijd maar aan die knoppen zat te draaien. Ik opteerde voor losse stemmechanieken, die je zelden op een Spaanse aantreft. Peer Dellen nam contact op met de Nederlandse Apparatenfabriek Gebr. van Gent B.V., maar die hadden ze niet in voorraad, althans niet die met de juiste dikte. Ze wilden ze wel los voor me maken, beter gezegd voor Peer Dellen, maar dat zou wel even duren. Tijdens de maandenlange afwezigheid van mijn Orozco ging ik op zoek naar een vervanger. Ik probeerde gitaren uit van 700 – 7000 euro, maar geen van die gitaren klonk en speelde zoals de mijne. Nou ja, als je al 36 jaar op een gitaar speelt, dan is het moeilijk wennen aan al die andere halzen, dat nieuwe geluid, dat hout dat tegenwoordig eventjes nat wordt gespoten en direct de droogoven in gaat. Het hout van mijn gitaar heeft, zoals het toen hoorde, drie jaar in het water gelegen en is daarna voor tien jaar te drogen gelegd. Ik heb ook gehoord van hout dat jarenlang in de sneeuw heeft gelegen. Ook niet gek. Maar goed, je kan dan wel een mooi gevormd instrument van kwalitatief goed hout hebben… zonder zes simpele stemknoppen kom je nergens. Onlangs kwamen de stemmechieken binnen, een voor een met de hand gemaakt. Peer Dellen zette ze op mijn gitaar en we hadden geluk: de gaatjes van de oude stemmechieken zijn niet meer te zien. En alleen een kenner valt het op dat de klassieke gitaar aparte stemmechanieken heeft. Ik begrijp sowieso al niet dat gitaarbouwers nog met strips van drie stemmechanieken op rijnwerken in plaats van losse mechanieken, zoals je die aantreft op Amerikaanse flattop gitaren. Ik zag onlangs wel een Bulgaarse flamencogitaar met losse mechanieken, een Kremona. Trendsetters?

Geschreven door Reacties staat uit voor Nieuwe stemmechanieken voor mijn oude Orozco gitaar Gepost in Fingerpicking

Work in process (roman)

alfred birney manuscript Dit is een snapshot met een iPhone 4 van de eerste versie van mijn aanstaande roman, vers uitgeprint op 460 A4’tjes 70 grams papier, lettertype Times New Roman, regelafstand 1,5 – om kort te gaan: 195.974 woorden. Dat is een pak papier goed voor een paperback van 600 – 700 bladzijden. Zo’n dikke pil schreef ik nooit eerder.

Mijn dikste boek tot nu toe was Het verloren lied, een roman van ongeveer 80.000 woorden, goed voor een paperback van 320 bladzijden. Mijn dunste boek is de novelle Rivier de Lossie, in manuscript 21.501 woorden. Afgerond is mijn dunste boek dus 20.000 woorden lang en dit manuscript, dat ik hier op schoot heb, bijna tienmaal dikker met zo’n 200.000 woorden.

In een dun boek moet elke bladzijde goed zijn, je hebt eenvoudig geen tijd om een aantal zwakke bladzijden goed te maken. Met een dik boek heb je meer speling, je kunt jezelf wel wat minder sterk geschreven bladzijden veroorloven. Dat weet elke schrijver. Maar dan moet het wel een boek zijn met een sterk verhaal, anders smijten de lezers het in de hoek. Ik streef ernaar waar mogelijk flink te schrappen.

Ik schrijf mijn boeken meestal in drie versies. Met deze eerste versie op schoot ga ik het proberen te lezen zoals een lezer dat doet, dus zonder potlood erbij. Dat is al een hele kunst: net doen alsof je alles voor het eerst leest. Fouten laat ik staan, ik kijk alleen naar de voortgang van het verhaal. Aantekeningen maak ik niet. De compositie is goed, denk ik. Ik onthoud vanzelf wel waar het boek eventueel inzakt. Dit zijn spannende dagen voor me.

Ik zou niet weten hoelang ik precies aan dit enorme boek heb gewerkt. Er staan herschreven stukken in van twaalf jaar terug, een interview met mijn moeder en informatie uit de memoires van mijn vader gaan zelfs terug tot 1985. Ik ben aan dit manuscript begonnen direct na de publicatie van mijn essay De dubieuzen in 2012. Hier ligt dus het resultaat van twee jaar hard en intensief ’s nachts in afzondering werken. Ik zou die twee jaren niet graag overdoen…

Later meer over de voortgang, en de inhoud, van dit boek, dat waarschijnlijk De tolk van Java gaat heten.

Le Banian

le banian Le Banian, het literair-cultureel kwartaaltijdschrift van De Association franco-indonésienne Pasar Malam, gevestigd in Parijs, heeft op 7 december jl. zijn special over de postkoloniale literatuur in Nederland gelanceerd met een feestje op de Indonesische ambassade in Parijs. Er is een jaar lang onder de bezielende leiding van Johanna Lederer hard aan gewerkt door onder meer Dorien Kouijzer en vertaalster Anita Concas, met een financiële ondersteuning van het Nederlands Letterenfonds.

Mij was gevraagd een inleiding te schrijven, Adriaan van Dis het nawoord, terwijl de spekkoek wordt gevuld met stukken van Lizzy van Leeuwen, Marion Bloem, Ernst Jansz, Herman Keppy, Frans Lopulalan, Betty Roos en Jill Stolk. Ook van Adriaan van Dis en mij (uit Rivier de Brantas) zijn prozafragmenten opgenomen.

Indonesische bijdragen komen van Sitor Situmorang (Harianboho, 2 okt 1923 – Apeldoorn, 21 december 2014) en Sobron Aidit (Belitung, 1934 – Parijs, 2007). Het mooie tijdschrift in boekvorm wordt aangevuld met recensies en artikelen. Het nummer kost € 12,- excl. verzendkosten.

Belangstellenden voor de bundel verwijs ik naar de pagina van de Association franco-indonésienne Pasar Malam voor een volledige inhoudsopgave. Adriaan van Dis en ik zijn al jaren lid van deze club en nieuwe leden zijn altijd welkom. Voor maar € 25,- per jaar steun je de Association franco-indonésienne Pasar Malam en daarmee de Franse aandacht voor Indonesische en Indische kunstvormen. Er worden regelmatig bijeenkomsten georganiseerd etc. Een mailtje sturen aan Johanna Lederer via de site is genoeg. Zij is overigens meertalig… (Indonesisch, Nederlands, Frans, Engels).

*** Vlak na het schrijven van deze post las ik dat Sitor Situmorang vandaag stierf in Apeldoorn. Hij was geboren in Harianboho, Noord Tapanuli, Noord Sumatra, op 2 oktober 1923 en woonde met zijn Nederlandse vrouw in Apeldoorn.***